Vijf suggesties voor een sterke vakbeweging

In dit artikel doet Mirjam de Rijk vijf aanbevelingen aan de vakbeweging om sterker te worden. Ze pleit voor meer aandacht van de vakbeweging voor het verdelingsvraagstuk. Niet alleen de inkomensverdeling maar ook de accumulatie van vermogen en de (her) verdeling daarvan. Ook bepleit ze het actief inzetten van pensioengeld voor een toekomstbestendige en werkers-vriendelijke economie. Een derde aanbeveling is een inhoudelijk scholingsoffensief zodat werkenden zowel op micro niveau (in bedrijven) als op macroniveau sociaal-economische alternatieven kunnen ontwikkelen. Een van die alternatieven heeft betrekking op de toekomst van arbeid, productiviteit en inzet van technologie. Volgens De Rijk kan de vakbeweging op basis van een dergelijk uitgewerkt alternatief een offensieve rol spelen in de toekomst van de arbeid.

Inleiding

Of het nou over de oneerlijke verdeling van het nationaal inkomen gaat, over de afgenomen onderhandelingsmacht van werkenden of over de financialisering van de economie, wat in dertig of veertig jaar mis is gegaan, verander je niet op een achternamiddag. Maar het helpt al als je scherp hebt wat de belangrijkste kwesties zijn om aan te pakken, en in welke richting de oplossing gevonden kan worden. Over de verdeling van de koek, over geld, over een visie op de toekomst van arbeid, en over het belang van zelfvertrouwen.

De verdeling van de koek

Om te beginnen de verdeling van de koek. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is het deel dat werkenden van het nationaal inkomen krijgen gestaag afgenomen, terwijl degenen met kapitaal (bedrijven, vermogenden) steeds beter af zijn. De economie groeit maar de Arbeidsinkomensquote (AIQ) daalt en de lonen staan gecorrigeerd voor inflatie al decennialang ongeveer stil. De AIQ meet welk deel van alles wat er in Nederland verdiend wordt, naar de a van arbeid gaat. Toen organisaties als het IMF en de OESO dit de afgelopen jaren begonnen te constateren, was de analyse eerst dat het komt door technologie en globalisering. Wat zoveel wil zeggen als ‘er is niets aan te doen, het hoort bij de moderne tijd’. Inmiddels luidt de verklaring steeds vaker dat de oorzaak ligt in de afnemende macht van vakbonden. Daar lijkt me geen speld tussen te krijgen. Maar het is wel zaak de vinger te leggen op hoe het kómt dat de vakbeweging aan macht heeft ingeboet. En daarbij niet te beginnen met het sluitstuk, namelijk ‘de ledenaantallen nemen af’. Dat is een gevolg, geen oorzaak.

Dat de onderhandelingsmacht van werkenden en vakbonden is afgenomen, heeft te maken met tientallen, misschien wel honderden keuzes die met name de politiek de afgelopen decennia heeft genomen. In een serie voor De Groene Amsterdammer zette ik onlangs een aantal daarvan op een rij. Wie de oneerlijke verdeling van ‘de poet’ aan wil pakken, zal op al die terreinen aan de slag moeten: van de financiële deregulering tot de politiek van loonmatiging, en van de uitgeklede sociale zekerheid tot marktwerking in de publieke sector. Het aanpakken van de oorzaken betekent dat de vakbeweging zich, naast arbeid en inkomen, ook bezig moet houden met kapitaal, met het grote geld. Oftewel met de macht van aandeelhouders, met de bestemming van de winsten, met de monopoliepositie van grote bedrijven en met het bestrijden van ‘financial engineering’. Omdat dit geld wegtrekt uit de economie én de economie instabiel maakt. De oneerlijke verdeling van de koek wordt versterkt en aangewakkerd door de belastingpolitiek van de afgelopen twintig jaar. De belastingen en premies op arbeid stegen, de belastingen op kapitaal daalden. Inmiddels drukt, kijkend naar de inkomsten van de overheid, 163 miljard op arbeid en slechts 30 miljard op kapitaal (de overige pakweg 90 miljard aan overheidsinkomsten zijn niet specifiek toe te rekenen aan arbeid of kapitaal, het gaat dan ondermeer om de omzetbelasting en accijnzen). Deze belastingverdeling staat in schril contrast tot de vele gemeenplaatsen over ‘het goedkoper maken van arbeid’.

De verlaging van de winstbelasting en alle andere belastingen op (inkomen uit) kapitaal wordt vaak als onontkoombaar gepresenteerd omdat bedrijven anders hun biezen pakken. Daar valt heel veel tegenin te brengen. Er is meer dat bedrijven hier houdt dan de hoogte van de belastingen: fijnmazige en goede infrastructuur, een hoog opgeleide bevolking, een rechtssysteem dat bedrijven veel zekerheid biedt. Maar belangrijker misschien nog is dat er inmiddels goede manieren zijn bedacht om de ‘exitpower’ van bedrijven onschadelijk te maken als het om belastingen gaat. De econoom Gabriel Zucman, collega van Thomas Piketty, stelt voor om de winstbelasting van bedrijven voortaan te baseren op de omzet die ze in een land maken. Die omzet wil en kan je als bedrijf niet verplaatsen, dus exit ‘exitpower’. De belasting kan dan verschoven worden van arbeid naar winst (en overigens ook naar andere vormen van kapitaal, zoals een realistische belasting op inkomen uit vermogen). Kortom, zet je tanden in de oorzaken van de stagnerende lonen en toegenomen winsten, breid het werkterrein van de vakbeweging uit naar regulering van de economie en de wondere wereld van het kapitaal, en maak eerlijker belastingen tot een van de speerpunten.

Geld

Geld is macht. En in de pensioenpotten zit op het moment zo’n 1700 miljard. Dat is meer dan twee keer het hele BBP van Nederland. Wat een invloed zou er uit kunnen gaan van het consistent beleggen van het geld op een manier die werkenden of de bevolking als geheel ten goede komt! Pensioen is uitgesteld loon, dus geld van werknemers, al hebben de vakbonden er bij mijn weten nooit een punt van gemaakt dat de werkgevers een zeker zo grote vinger in de pap hebben in de pensioenfondsen. Elders in deze bundel wordt al uitgebreid ingegaan op pensioenen, maar hier wil ik het hebben over de manier waarop het pensioengeld belegd wordt. En dan gaat het niet over de tabaksindustrie of kolencentrales of de wapenindustrie, dat staat inmiddels vrij goed op de radar en het zijn relatief makkelijk te vermijden beleggingen. Maar wat te denken van het feit dat pensioenfondsen, met hun beleggingen in hedgefunds, derivaten en het meedoen aan flitshandel in aandelen, in feite bijdragen aan financiële zeepbellen en het verdwijnen van werkgelegenheid? De beleggingen van de FNV in Sun Capital, het ‘investeringsfonds’ dat V&D opkocht, met een schuld opzadelde en vervolgens failliet liet gaan, hebben de pensioenbestuurders een klein beetje wakker geschud, maar het heeft nog niet tot een fundamenteel ander beleggingsbeleid geleid. Het niet-beleggen in de Sun Capitals van deze wereld is een begin, maar in feite nog steeds een reactieve strategie. Door het actief inzetten van de 1700 miljard voor een toekomstbestendige en werkers-vriendelijke economie, voor betaalbare woningen en betaalbare zorg, zou de vakbeweging er een invloedrijk instrument bij kunnen krijgen.

Kennis

Kennis is macht. Wie een offensieve rol wil spelen in het publieke debat, ten opzichte van bedrijven en politiek, moet beslagen ten ijs komen. Sterk staan tegenover de macht van het kapitaal vergt veel kennis van geld en cijfers, zowel op bedrijfsniveau als macro-economisch. Ook een portie gezond wantrouwen kan geen kwaad, vriendelijker gezegd: oog voor belangentegenstellingen. Op bedrijfsniveau betekent dat het volledig door kunnen lichten van de financieën en de juridische structuur, en dat is zeker als het om fijnvertakte multinationals gaat geen kattenpis. Macro-economisch betekent dit het onderuit halen van de vele economische mythes. Mythes die zowel in het publieke debat als in de keuzes van de politiek een grote rol spelen. Ook hier geldt: wat in dertig, veertig jaar is ingesleten, poets je niet zomaar weg. De mythes, variërend van ‘winst wordt gebruikt voor investeringen dus winst is goed voor de werkgelegenheid’ tot ‘een grote publieke sector is slecht voor de economie’ hebben decennialang te weinig tegenwicht gekregen. Naast mobilisatie en campagnevoeren is daarom ook een inhoudelijk scholingsoffensief van belang. Zodat het TINA-gevoel, There Is No Alternative, ook inhoudelijk wordt bestreden. Rode draad in dit scholingsoffensief: de economie is er voor mensen, niet andersom.

Visie op arbeid

Een kernkwestie voor de vakbeweging is het vormen van een visie over de toekomst van arbeid, productiviteit en de inzet van technologie. Wat is, versimpeld gesteld, belangrijker: dat de werkgelegenheid gemeten in hoeveelheid arbeidsuren op peil blijft, of dat het aantal uren misschien daalt, maar het inkomen tegelijkertijd stijgt omdat we productiever worden dankzij technologie en innovaties? Het is een goede discussie waard. Voorwaarde van het tweede scenario is natuurlijk dat de bevolking navenant profiteert van die stijgende productiviteit en dat ook de kwaliteit van het werk er op vooruit gaat. Zolang deze discussie niet goed gevoerd is, kunnen vakbonden geen offensieve rol spelen in discussies over technologie, over arbeidskosten of over de signatuur van de Nederlandse economie.

De afgelopen jaren stijgt de arbeidsproductiviteit (wat er per gewerkt uur geproduceerd wordt) in de hele westerse wereld nog maar mondjesmaat. Zonder stijging van die productiviteit is er maar één manier om als land rijker te worden: meer uren werken. De nadruk die de afgelopen bijna dertig jaar in Nederland ligt op ‘verhoging van de arbeidsparticipatie’ is in feite een keuze voor meer uren werken in plaats van slimmer en productiever werken.

De wetenschap is er nog niet helemaal uit, maar veel wijst er op dat de stagnatie van de arbeidsproductiviteit te maken heeft met de dualisering van de arbeidsmarkt: naast hoogproductief werk ontstaat er steeds meer laagproductief werk. Het gaat dan om productiewerk (de spreekwoordelijke aspergeplukkers) maar vooral om slecht betaalde persoonlijke dienstverlening, van Deliveroofietsers tot hondenuitlaatservices. In de Nederlandse overlegpolder heerste de afgelopen decennia grote consensus over het zo goedkoop mogelijk houden van ‘arbeid aan de onderkant’, ondermeer door het minimumloon niet mee te laten stijgen met de gemiddelde welvaart en door extra loonschalen te creëren en te benutten vlak boven minimumloon. Daar kwam het bevorderen van flex en (schijn) zzp-schap nog bij.

Volgens emeritus hoogleraar Alfred Kleinknecht staat vast dat het té goedkoop houden van arbeid zorgt voor de stagnatie van de arbeidsproductiviteit: waarom zou je als bedrijf investeren in (arbeidsbesparende) technologie als arbeid zo goedkoop is? Een land als Nederland moet niet koersen op lagelonen-arbeid maar op concurrentiekracht door innovatie, stelt hij. Een mooie discussie voor de vakbeweging. Want welke consequenties heeft het mikken op slim en hoogproductief werk voor praktisch opgeleiden? Vaak wordt aangenomen dat zij alleen aan de bak komen dankzij arbeidsintensieve goedkope sectoren, maar is dat zo?

En dan de verdeling van het werk. Als de vakbeweging kiest voor een hoogproductieve economie waarin de hoeveelheid gewerkte uren best omlaag mag, dan is de bijbehorende vraag hoe het overblijvende werk verdeeld wordt. Over zoveel mogelijk mensen, met een kortere werkweek? Of werken dan alleen de meest productieven terwijl de anderen zichzelf ontplooien en vrijwilligerswerk doen met een basisinkomen of regelarme bijstand? De keuze is natuurlijk nooit helemaal zwart-wit, maar het schetsen van uitersten helpt bij het nadenken.

Er zijn binnen de vakbeweging veel mensen die zich zorgen maken over de houdbaarheid van publieke en sociale voorzieningen als er in de toekomst minder gewerkt wordt. Want zoals uit de eerdergenoemde 163 versus 30 miljard al blijkt: het overgrote deel van het geld voor de publieke zaak wordt opgebracht door arbeid. De financiering van de AOW, de WW, de arbeidsongeschiktheid en het overgrote deel van de ziektekosten is afhankelijk van werkenden. De premies maken arbeid duur en maken vakbondsleden extra bezorgd: door technologie verdwijnen niet alleen banen, maar ook de basis voor sociale zekerheid.

Hier is een oplossing voor. Want net als de belastingen kunnen ook deze premies ten laste gebracht worden van winst en andere vormen van kapitaalinkomen. Er is geen enkele reden om de ziektekosten en de aow te betalen uit premies op arbeid. Dat kan net zo goed uit de algemene belastingen, zoals ook onderwijs wordt betaald uit de belastingen en niet uit premies. Een van de grote voordelen is dat de mate waarin bedrijven dan meebetalen aan publieke voorzieningen, niet langer afhankelijk is van de hoeveelheid mensen in dienst hebben: de betaling wordt afhankelijk van de winst. Voorwaarde is dat de zogenaamde heffingsgrondslag goed in elkaar zit, dus een systeem a la de eerder genoemde Zucman, zodat degenen die de belasting/premies moeten betalen weinig exit-mogelijkheden hebben.

Bij een ander deel van de premies, namelijk voor WW en arbeidsongeschiktheid, is het de vraag of de vakbonden moeten kiezen voor bekostiging uit de algemene belastingen, omdat daarmee misschien ook de zeggenschap over die regelingen deels verloren gaat. Maar die discussie hoeft nog niet gevoerd: overheveling van de AOW en de ziektekosten naar de algemene belastingen scheelt jaarlijks al 47 miljard op de lasten op arbeid. Eerst dat maar eens regelen.

Zelfvertrouwen

Ten slotte: pas op voor valse tegenstellingen, heb zelfvertrouwen en ausdauer. Om met dat laatste te beginnen: strijd kost tijd. Ook dat is een opgave, zeker in een tijd waarin de hang naar onmiddellijk effect onderdeel van het menselijk DNA lijkt te zijn geworden. Bovendien heeft de vakbeweging een tweeledige boodschap: er is veel meer gevoel van urgentie nodig, en tegelijkertijd moet die urgentie niet verward worden met ‘en dan hebben we het binnenkort voor elkaar’.

Het zelfvertrouwen hoeft misschien weinig betoog. Het zelfvertrouwen lijkt de afgelopen paar jaar bovendien al sterk groeiende. Maar de manier waarop FNV-ers bijvoorbeeld over het afnemende ledenpercentage of de vele grijze koppies in de zaal spreken, werkt soms eerder zelfdestructief dan als motor voor een offensieve en creatieve opstelling.

En dan zijn er nog de afleidende tegenstellingen die het zicht ontnemen op de werkelijke tegenstellingen. Of het nou om oud versus jong gaat, om Oost-Europese versus Nederlandse werknemers, om vast versus flex, in alle gevallen hebben werkgevers en een deel van de politiek er veel belang bij om die polariteit flink aan te zetten. Het verhult immers de tegenstelling tussen arm en rijk en het verhult het gezamenlijk belang dat werkenden hebben. Met de nieuwe congresresolutie is een grote stap gezet in het debunken van die valse tegenstellingen, maar op de werkvloer en in het publieke debat zijn ze nog niet bestreden. Ook de interne tegenstellingen – een brede versus een smalle vakbeweging, actie of overleg, gezamenlijk of sectoraal, voor leden of voor álle werkenden – lijken, vanuit een buitenstaander beschouwd, goed overbrugbaar met een gezamenlijk extern gericht kompas. Het bovenstaande kan hopelijk een steentje bijgedragen aan dat kompas.

Bovenstaand artikel is een hoofdstuk uit de publicatie ‘Positie en strategie van de vakbeweging’ van het Wetenschappelijk bureau voor de vakbeweging.

2018-10-16T07:25:03+00:00